abiotiek
(en abiotisch): (behorend tot) de niet-levende laag van het landschap - fysieke factoren zoals aarde, water, lucht en fysieke processen los van planten, dieren en mensen
afspoeling
afstroming: het transport van water uit een bepaald (stroom)gebied
algenbloei
Buitengewoon snelle ontwikkeling van algen in de oppervlaktewateren van meren, rivieren en zeeën. Algenbloei is vaak geassocieerd met eutrofiëring (veroorzaakt door een verhoogde aanwezigheid van stikstof- en/of fosforverbindingen).
alkaliniteit
of alkaliteit: zuurneutraliserend vermogen, ook zuurbufferend vermogen genoemd, van oppervlakte -, bodem - of grondwater, voornamelijk geleverd door (bi) carbonaat (het woord alkaliniteit wordt meer algemeen gebruikt; het is echter een anglicisme).
aluminiumbuffering
buffering van de zuurgraad in de bodem met aluminium. Zie ook zuurbuffering.
ammoniumvergiftiging
Planten kunnen stikstof opnemen in de vorm van ammonium en nitraat. In sommige bodems is alleen ammonium beschikbaar, bijvoorbeeld in permanent natte bodems en in sterk zure bodems. Als planten ammonium opnemen komt bij het inbouwen van stikstof in de plant een overschot aan zuurdeeltjes, oftewel protonen vrij. In scheikundige termen: NH4 wordt omgezet in -NH2 groepen en er blijven H+ deeltjes (protonen) over. In een zure omgeving zijn buiten de plant al veel van deze protonen aanwezig en dan zijn veel planten niet meer in staat om het overschot aan zuurdeeltjes naar buiten te pompen. Het gevolg is dat de plant intern verzuurt en afsterft: dat is ammoniumvergiftiging. Dit kan dus alleen gebeuren in een bodem die tegelijkertijd zuur is en waarin ammonium de dominante minerale stikstofvorm is. Ammoniumvergiftiging is onder ander waargenomen bij Rozenkransje (Antennaria dioica) en Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), plantensoorten van heischraal grasland respectievelijk blauwgrasland.
anëroob
zuurstofhoudend, (voorkomend in een) omgeving waarin de zuurstofconcentratie gelijk is aan die in de atmosfeer.
anaërobe
zuurstofarme omstandigheden, (voorkomend in een) omgeving waarin de zuurstofconcentratie beduidend lager is dan in de atmosfeer (zuurstofloze = anoxische omstandigheden).
antropogeen
door de mens veroorzaakt.
areaal
verspreidingsgebied van bijv. een soort of levensgemeenschap, oppervlakte.
atmoclien
water dat chemisch lijkt op regenwater wordt atmoclien genoemd.
bekalking
het toedienen van kalk (bijv. als calciumcarbonaat, CaCO3) ter verhoging van de pH (en verbetering van de bodemstructuur)
bodemvocht
water dat zich in het bovenste deel van de grond bevindt, meestal in de onverzadigde zone (boven de grondwaterspiegel)
boreaal
boreale soorten zijn noordelijke soorten die bij koele en vochtige omstandigheden groeien. Het boreale gebied is de naaldboszone ten noorden van ons land. Het begrip stamt uit de paleoklimatologie en paleogeologie. Het Boreaal is een geologisch tijdvak, onderdeel van het Holoceen.
bronpopulaties
[biol.] groepen van organismen die bronnen vormen voor de verspreiding naar andere leefgebieden. Vaak gaat het hierbij om de populaties op ‘vluchtplaatsen' van bedreigde soorten; zie ook refugia.
Buffercapaciteit
het zuurneutraliserende vermogen, de mate waarin open wateren, bodems of standplaatsen gebufferd zijn tegen verzuring. In oppervlaktewater wordt de buffercapaciteit vrijwel geheel bepaald door de hoeveelheid opgelost bicarbonaat (HCO3-). Indien er geen bicarbonaat aanwezig is, is de zuurgraad (pH) 4,2 of lager. Zie ook zuurbuffering, zacht water en standplaats.
climaxvegetatie
vormt het einde van de natuurlijke opeenvolging van begroeiingen, de successie.
degradatie
in de ecologie: een aantasting van de vegetatie waarbij hoog ontwikkelde plantengemeenschappen verdwijnen of aftakelen. Het is mogelijk dat daarbij een omkering van het proces van successie optreedt, waarbij de vegetatie overgaat in een jonger stadium van de natuurlijke reeks van opeenvolging door de mens. Vaak gaat het dan om een soortenarme versie. Over het algemeen is hier een degradatie bedoeld die het resultaat is van een aantasting door VER-factoren. Maar terugzetten van bos of kap bijv. leidt ook tot degradatie. In het natuurbeheer worden successiestadia soms opzettelijk teruggezet om ruimte te krijgen voor pioniergemeenschappen. Het gaat daarbij om het nabootsen van milieudynamiek bij gebrek aan natuurlijke dynamiek.
denitrificatie
In de grond komen nitraten, stikstofverbindingen, in opgeloste vorm voor. Denitrificatie is de afbraak van deze nitraten door zogenoemde anaerobe bacteriën, die vooral voorkomen in een slecht doorluchte bodem. Daarbij ontwijkt gasvormige stikstof uit de bodem en zo verdwijnt wat stikstof uit de bodem naar de atmosfeer en gaat daardoor als voedingsstof voor de planten verloren. Nitraat wordt daarbij gereduceerd naar nitriet en ammonia. Zie ook redoxreactie.
depositie
letterlijk ‘afzetting'; met atmosferische depositie of depositie uit de lucht is bedoeld de verhoogde afzetting van stikstof en verzurende stoffen op de vegetatie, het bodemoppervlak en in het water onder invloed van luchtverontreiniging.
diasporen
delen van een organisme die in staat zijn om een nieuw individu te vormen. Een diaspore kan geslachtelijk of ongeslachtelijk worden geproduceerd. Het zijn bijv. zaden, sporen, wortelstokken, knollen, bollen en andere fragmenten van planten.
doorstroomsysteem
met een schijngrondwaterspiegel kennen een ondoorlatende laag van klei, leem, ijzeroer of organisch materiaal en met daaronder een niet waterverzadigde bodem. Vaak ligt zo'n waterkerende laag scheef en stroomt het water af over zo'n laag. Aan het eind van de laag loopt het water dan over de rand heen en zakt het in de grond weg tot het op de volgende waterkerende laag dieper in de ondergrond terechtkomt. Bovenin, in het hoger in het landschap gelegen deel van een dergelijk systeem, is sprake van sterk wisselende waterstanden. In de winter raakt de bodem waterverzadigd omdat het water niet snel genoeg kan wegstromen, in de zomer stroomt al het water naar de lager gelegen delen en droogt de bodem uit. In het meer naar beneden in het landschap gelegen deel van het systeem is het waterpeil hoog en opvallend constant. In natte perioden is er veel wateraanvoer, maar ook veel afvoer. In droge perioden neemt de aanvoer af, maar ook de afvoer. In het veld zijn dergelijke doorstroomsystemen vaak te herkennen aan het feit dat ze aan de laagst gelegen kant het droogst zijn; dit is immers de plek waar de waterkerende laag ophoudt en het grondwater wegzijgt naar de volgende waterkerende laag. Doorstroomsystemen kunnen ook ontstaan op plaatsen waar regionale grondwatersystemen worden aangesneden door beekdalen of door andere insnijdingen. De bovenste laag van het grondwater -ook ‘oppervlakkig grondwater' genoemd - stroomt dan af over een waterverzadigde laag in de ondergrond. In zulke doorstroomsysteem vindt op het laagste punt waterafvoer af via het oppervlaktewater. Het water zakt hier dus niet over de rand weg naar de diepere ondergrond. Daarom staat het laagstgelegen punt van zulke doorstroomsystemen onder water en is dat punt niet het droogst zoals in de doorstroomsystemen op een waterkerende laag.
drijftil
drijvende massa van water- en moerasplanten waarop zich andere vegetatie kan vestigen.
dystroof
oppervlaktewater dat sterk bruingekleurd is door opgeloste humuszuren en doorgaans voedselarm.
emers
verwijzend naar een plant die, of een plantdeel dat, boven de waterspiegel uitgroeit.
eutrofiëring
of vermesting: verrijking met voedingsstoffen (= nutriënten). Eutrofiëring hoeft niet gepaard te gaan met een pH-stijging. Het gaat hierbij om een toename van voedingsstoffen die leidt tot een toename van de biomassaproductie. In veel gevallen zijn de beschikbare stikstof en fosfaat beperkend (= limiterend). Zie ook interne eutrofiëring.
exoten
soorten die zich hebben gevestigd in een land waar ze oorspronkelijk niet vandaan komen, vaak als gevolg van (al dan niet opzettelijke) menselijke activiteit.
extensief
minder intensief
gliede
een laagje organische modder in de bodem dat het resultaat is van beginnende veenvorming in open water.
gradiënt
geleidelijke overgang in de ruimte, bijv. van hoog naar laag en/of van voedselarm naar voedselrijk, droog naar nat, zoet naar zout en/of van zuur naar basisch.
grondwater
het water in de grond beneden de grondwaterspiegel, waar de bodemporiën permanent met water zijn gevuld
grondwaterspiegel
de bovengrens van dat deel van de ondergrond waarvan de bodemporiën volledig met grondwater zijn gevuld
guanotrofiëring
eutrofiëring door dierlijke mest.
herstelbeheer
beheer dat is gericht op het duurzaam herstel van de natuurwaarden in een bepaald gebied, in het bijzonder via herstel van de landschapsecologische processen. Het gaar hier vaak om een eenmalige ingreep, of een serie van opeenvolgende ingrepen in de waterhuishouding.
hydrologie
Hydrologie is de wetenschap die zich bezighoudt met de verschijningsvormen van het water boven, op en onder het aardoppervlak en met hun natuurlijke samenhangen. Binnen de hydrologie worden een groot aantal deelwetenschappen onderscheiden naast geohydrologie ook bijv. hydrometeorologie, de hydrologie van oppervlaktewater en de pedohydrologie of hydrologie van bodems. De geohydrologie en de hydrogeologie vormen samen de hydrologie van grondwater.
ijzerhuishouding
Een goed functionerende ijzerhuishouding is voor veel wateren essentieel. IJzer kan vanuit het inzijggebied aangevoerd worden met zuurstof- en nitraatarm grondwater of een plas kan een van oorsprong ijzerrijke bodem hebben. De ijzeraanvoer vermindert als de kweldruk van het grondwater afneemt of als ijzer in het inzijggebied achterblijft als gevolg van uitspoeling van nitraat uit landbouw of bossen. Nitraat oxideert de diepere bodemlaag in het inzijggebied; als daar veel nitraat aanwezig is, dan kan daar geen ijzer in oplossing gaan. Voor een goed functionerende ijzersturing via het grondwater zoals die in vennen plaatsvindt moeten plassen af en toe deels of geheel droogvallen. Een deel van het ijzer in het systeem kan dan oxideren en hiermee slaat alle fosfaat neer. Daarna zal, in de loop van enkele jaren, dit ijzerfosfaat weer in oplossing gaan in de onderwaterbodem. Het opstuwen of constant houden van het waterpeil waarbij de kans op droogvallen van bodems vermindert leidt ertoe dat meer en meer van het aan ijzer gebonden fosfaat in de zuurstofloze onderwaterbodem in oplossing gaat en beschikbaar komt voor planten. Dit kan in voedselarme plassen leiden tot fosfaatvermesting. Zie ook interne eutrofiëring.
ijzeroxidatie
een ecologisch belangrijke chemische reactie.
interne eutrofiëring
eutrofiëring door het versneld vrijkomen van voedingsstoffen (= nutriënten) binnen het systeem zelf. Het begrip is geformuleerd om deze wijze van eutrofiëring te onderscheiden van externe eutrofiëring: verrijking van voedingsstoffen door een toevoer van buitenaf, via water, lucht of bijv. bladinwaai. Interne vermesting kan bijv. optreden op als gevolg van verdroging: dan dringt lucht dieper in de bodem door en vindt vervolgens een versterkte mineralisatie van organisch materiaal plaats die leidt tot verhoging van de beschikbaarheid van voedingsstoffen.
inundatie
het onder water staan of komen te staan van terrestrische standplaatsen. Inundatie kan plaatsvinden met van elders aangevoerd oppervlaktewater, met neerslagwater of met uittredend grondwater
inzijging
wegzakken van water in de bodem.
kationadsorptiecomplex
het totaal van de klei- en humusdeeltjes in de bodem die betrokken zijn bij de binding van kationen (het adsorptie/desorptie proces).
kationuitwisseling
een kation is een atoom of een groep atomen met een positieve lading. Kationuitwisseling is het mechanisme van zuurbuffering in een (water)bodem waarbij bepaalde basische kationen (vooral calcium en magnesium) uitgewisseld worden tegen zuur-ionen. Het is een bufferingsmechanisme dat wordt bepaald door de capaciteit van het bodemadsorptiecomplex.
keileem
ongesorteerd gletsjerpuin (=grondmorenemateriaal) dat na een ijsbedekking achterblijft. Keileem kan voorkomen als harde lagen in de ondergrond die zo goed als geen water doorlaten.
kwel
het uittreden van grondwater direct aan het grondoppervlak, in sloten, drains, of via capillaire opstijging. In het algemeen ontstaat kwel door een ondergrondse waterstroom van een hoger gelegen gebied naar een lager gelegen gebied.
Kwelsloten
Kwelsloten zijn aangelegde wateren waar grondwater uittreedt. Hier kunnen zich venachtige gemeenschappen ontwikkelen.
lithotroof
of tellurisch: term om water aan te duiden dat intensief in contact is geweest met kalkrijk(e) bodem of gesteente. Het is daardoor calcium- en (bi)carbonaathoudend.
maaiveld
het bodemoppervlak.
Meanderen
Door erosie ontstaan er bochten in het stroombed van beken en rivieren. Hierdoor gaan ze kronkelen. Dit wordt meanderen genoemd.
mesotroof
matig voedselrijk
minerale bodem
bodem die bestaat uit zand, leem, löss, klei, kalk en dergelijke en hoogstens voor een klein deel uit organisch materiaal.
mineralisatie
is een biologisch afbraakproces; een proces van omzetting van organisch materiaal in anorganische componenten (zoals ammonium, nitraat, fosfaat, kooldioxide), waarbij voedingsstoffen (= nutriënten) beschikbaar komen.
nitrificatie
de oxidatie van ammonia naar nitriet en de oxidatie van nitriet naar nitraat. Nitrificatie kan door bacteriën optreden.
nutriënten
voedingsstoffen
nymphaeiden
zijn in de onderwaterbodem wortelende waterplanten waarvan de groene delen hoofdzakelijk uit drijfbladeren bestaan. Voorbeelden zijn Waterlelie (Nymphaea alba) en Drijvend fonteinkruid (Potamogeton natans). Zie ook het natuurtype vennen.
oligotroof
voedselarm (niet noodzakelijk basenarm).
ondergedoken waterplanten
De groene delen, stengels en bladeren van ondergedoken (niet rozetvormige) waterplanten bevinden zich in hoofdzaak onder water ofwel in de waterlaag terwijl de wortels in de onderwaterbodem verankerd zijn. Voorbeelden zijn smalbladige fonteinkruiden, Vlottende bies (Eleogiton fluitans) en Teer vederkruid (Myriophyllum alterniflorum).
ondoorlatende bodemlaag
een laag van klei, leem, ijzeroer of organisch materiaal waar geen of haast geen water doorheen kan.
pingoruïne
is een relatief grote en diepe ronde plas die tijdens de laatste IJstijd is ontstaan; bijv. het Esmeer en Mekelermeer in Drenthe.
pioniervegetatie
Beginstadium van successie; plantengemeenschap die zich ontwikkelt op onbegroeid terrein.
plantengemeenschap
meestal: het plantaardige gedeelte van een levensgemeenschap (= fytocoenose), een eenheid die men lokaal in het veld ziet. Ook wel: de abstracte vegetatiekundige eenheid van het lage niveau, de associatie.
redoxpotentiaal
reductie-oxidatiepotentiaal. Een maat voor de neiging van een bepaald systeem om electronen af te staan (electronendoner of reductor) of juist op te nemen (electronacceptor of oxidator). In een bodem kan de gemiddelde redoxpotentiaal van alle optredende redoxreacties gemeten worden, die als een (grove) indicatie voor het belangrijkste optredende redoxproces gebruikt kan worden. De redoxpotentiaal wordt dus bepaald door biogeochemische processen, maar heeft zelf ook weer een grote invloed op (bodem) processen, zoals de oplosbaarheid van metalen en macronutriënten. De gemeten potentiaal wordt over het algemeen omgerekend naar de normaalwaterstofpotentiaal (Eh), waarvoor de waarde onafhankelijk wordt van de gebruikte referentie-electrode.
redoxreactie
reductie-oxidatiereactie. Chemische reactie waarbij overdracht plaatsvindt van electronen van een electrondonor (vaak een organisch molecuul) naar een electronacceptor (vaak anorganisch). De afgifte van electronen heet oxidatie, de opname reductie. Verschillende groepen microorganismen maken gebruik van redoxreacties om energie te winnen. Voorbeelden van ecologisch belangrijk redoxreacties zijn ijzeroxidatie (vooral chemisch), denitrificatie (microbieel), sulfaatreductie (microbieel), methaanproductie (microbieel).
referentiebeeld
een voorbeeld van een ecosysteem dat gezien wordt als een streefbeeld voor een natuurgebied.
refugium
uitwijkplaats of toevlucht voor organismen die door veranderde milieuomstandigheden zich hebben moeten verplaatsen.
regulier beheer
beheer dat is gericht op het langdurig instand houden van de natuurwaarden ter plekke, dus de handhaving van de patronen in de vegetatie, de planten- en diergemeenschappen en de biodiversiteit bijv. door jaarlijks maaien en begrazen.
schijngrondwaterspiegel
is een lokale grondwaterspiegel op een ondiep in de bodem gelegen niet-waterdoorlatende laag terwijl de ‘echte' spiegel van het regionale grondwater dieper in de ondergrond ligt. Tussen de beide waterspiegels bevindt zich een bodemlaag die niet met water is verzadigd.
slecht doorlatende lagen
lagen in de bodem waar het water slecht door heen kan stromen (klei, veen, leem).
standplaats
de directe omgeving van een plant waarbinnen min of meer homogene groeiomstandigheden worden aangetroffen.
stijghoogte
de potentiële hoogte van het wateroppervlak van grondwater, gemeten vanaf een bepaald niveau (bijvoorbeeld N.A.P., maar meestal de hoogte van de bodem). Het is de hoogte waar het grondwater zou staan als men een put zou slaan.
submers
verwijzend naar een plant die of een plantdeel dat onder water groeit.
successie
proces van opeenvolgende veranderingen die zich in de vegetatie voltrekken, waarbij een plantengemeenschap ontstaat of in een andere overgaat. De elkaar opvolgende begroeiingen worden 'successiestadia' genoemd. Successie begint met pionierbegroeiingen die zich ontwikkelen op kale grond of in vegetatieloos open water. Zulke ‘maagdelijke' plekken ontstaan door fysieke processen, werking van wind, water of vergraving. Op jonge volgen oude ontwikkelingsstadia en het proces eindigt met een stabiele 'climax'vegetatie. Meestal, op plaatsen met weinig natuurlijke degeneratie en zonder menselijk ingrijpen, is dat een bosgemeenschap.
sulfaatreductie
een ecologisch belangrijke reactie waarbij vooral micoorganismen een rol spelen. De reactie vindt plaats onder zuurstofarme (anaërobe) omstandigheden. Organische moleculen (deeltjes) die zijn ontstaan bij afbraak van organisch materiaal nemen zuurstof op (oxideren) vanuit sulfaat. Hierbij wordt sulfaat gereduceerd en sulfide gevormd.
uitmijnen
Op sommige plekken wordt geëxperimenteerd met ‘uitmijnen': de biomassaproductie wordt enige tijd hoog gehouden door het toedienen van kalium en stikstof of zo nodig van andere stoffen, maar géén fosfaat. Ondertussen wordt een beheer van maaien en afvoeren toegepast. Omdat het maaisel na de toediening van die stoffen meer fosfaat bevat aanpak dan zonder de toevoeging van die stoffen het geval zou zijn wordt meer fosfaat afgevoerd. Zodra de fosfaatgehalten laag genoeg zijn, kan worden gestopt met de bemesting. Het uitmijnen biedt alleen perspectief op niet te fosfaatrijke bodems.
uitspoeling
het bodemvormend proces waarbij deeltjes in de bodem van boven naar beneden verplaatst worden door neerslagwater.
veen
een bodemtype, bestaande uit plantenresten die slechts gedeeltelijk zijn afgebroken. Of een landschaptype, bestaande uit een ecosysteem met vegetatie op een veenbodem.
vegetatietype
voor de beschrijving van de vegetatie (al het plantaardige dat ergens groeit) wordt een systeem van typen gebruikt waarbij in Nederland het werk van Schaminée et al. de basis vormt. Het doel van het systeem is elke lokale plantengemeenschap, de eenheid die in het veld is te onderscheiden, eenduidig te beschrijven en te benoemen. De typologie heeft een hiërarchische indeling: het hoogste niveau is de klasse, die is onderverdeeld in ordes (ter vereenvoudiging kan men dit niveau weglaten) en vervolgens in verbonden. Elk verbond bevat een of meerdere associaties en soms worden die verder verdeeld in subassociaties. Voor iedere eenheid zijn diagnostische soorten karakteristiek, de ken - en differentiërende soorten. Ook zijn er veelal constante begeleiders.
verdroging
alle onbedoelde effecten als gevolg van daling van de grondwaterstand op bos, natuur en landschap, zowel als het gevolg van vochttekort als van mineralisatie en verandering in de invloed van kwel en neerslag
verlanding
de opeenvolgende veranderingen die zich in vegetatieloos open water voltrekken, waarbij het water gevuld raakt met planten en bodemvorming plaatsvindt door ophoping van organisch materiaal ofwel bezinksel van organische bestanddelen en minerale deeltjes (= slib).
vermesting
verstoring van de natuurlijke balans van een milieu als gevolg van een te hoge concentratie aan fosfor en stikstof, onder andere afkomstig uit mest en waterzuivering
versnippering
(=habitatfragmentatie) verkleining en isolatie van de leefgebieden van organismen, waardoor (rest) populaties geïsoleerd raken. Hierdoor wordt dispersie, (re)kolonisatie en uitwisseling van genetisch materiaal van de populaties zeer moeilijk of onmogelijk.
verstarring
veroudering door afgenomen dynamiek; afname van de veranderingen die zich van nature in de vegetatie voltrekken en kunstmatige 'bevriezing' van successiestadia bij vermindering van milieudynamiek door de mens. Dat gebeurt bijv. bij actief instandhouden van een onnatuurlijk stabiel grondwaterpeil door het jaar heen. Verstarring gaat gepaard met verdwijnen van pioniergemeenschappen, overmatige ophoping van biomassa en achteruitgang van de biodiversiteit.
verzuring
afname van het zuurbufferende (zuurneutraliserende) vermogen van water of bodem.
verzuringsgevoelig
Een biotoop zoals een ven is verzuringsgevoelig als er zonder de aanvoer van gebufferd water een grote kans bestaat dat het verzuurd. Deze verzuring is dan vaak het gevolg van verzurende neerslag of de aanvoer van zuur water uit het omringende inzijggebied. Een ven kan ook verzuren nadat een zelden droogvallende sliblaag is verwijderd, of omdat een ven voor het eerst sinds vele jaren droogvalt. Indien de aanvoer van gebufferd water wordt stopgezet of een sliblaag wordt verwijderd uit een permanent, zeer zwak gebufferd ven, moet eerst worden onderzocht of het ven verzuringsgevoelig is.
Wegzijging
neerwaartse stroming van (grond-)water door een slecht doorlatende laag.
Wiel
in landschappelijke betekenis: kolk, plas die na een dijkbreuk of overstroming is ontstaan.
zaadbank
de zaadvoorraad die zich in de bodem bevindt en die onder gunstige omstandigheden grotendeels tot kieming kan worden gebracht. De kiemkracht van het zaad verschilt; sommige planten maken zaden die in natte, niet te zure bodem vele tientallen jaren kiemkrachtig kunnen blijven.
zacht water
In de vennensleutel worden vennen onedrscheiden op grond van de buffercapaciteit: zuur water (vrijwel) zonder buffercapaciteit, zeer zacht water met 50-200 micro-equivalent buffercapaciteit, zacht water met 200 tot 1000 micro-equivalent buffercapaciteit en (matig) hard water met meer dan 1000 micro-equivalent buffercapaciteit.
zuurbuffering
buffermechanismen, waardoor de zuurgraad van water of van een (water) bodem constant blijft over een bepaald traject. Van hoge naar lage pH vindt achtereenvolgens zuurbuffering plaats door door carbonaatalkaliniteit (pH 9-6; bedoeld is hier bicarbonaat), kationuitwisseling (pH 6-4), en het oplossen van aluminium - en ijzerverbindingen.