Vennensleutel


Herstel van vegetatiestructuren en gradiƫnten

Het is in theorie vrij eenvoudig om de standplaatscondities voor één bepaalde vegetatiestructuur in een ven te herstellen. Het doel van herstelbeheer is echter de terugkeer van een zo groot mogelijk deel van de biodiversiteit en de karakteristieke variatie in een ven. Hoe sterker de aantasting van de oorspronkelijke hydrologie van een ven, hoe kleiner de mogelijkheden en kansen voor herstel van de variatie met al haar gradiënten. Naarmate de vermesting groter is, is tevens de noodzaak groter om grootschalig in te grijpen. Een grootschalige ingreep verkleint de structuurvariatie echter in eerste instantie. In het hierna volgende wordt voor een aantal combinaties van structuurelementen van de vegetatie aangegeven hoe dit dilemma het beste is op te lossen. Bedenk hierbij wel dat er in elk ven nog andere structuren voor kunnen komen die hieronder niet genoemd zijn en toch het behouden waard kunnen zijn. Bijvoorbeeld planten met drijfbladeren en oeverplanten.


Vennen met hoogveenachtige vegetatie
De twee belangrijkste middelen bij het herstelbeheer in hoogveenvennen zijn het herstellen van de hydrologie en het verwijderen van ongewenste plantengroei. Restauratie van de hydrologie komt vooral neer op het herstellen van de kwaliteit en kwantiteit van het toestromende grondwater. Daarnaast is het soms nodig om extra maatregelen te nemen die voorkomen dat het waterpeil in de zomer te ver wegzakt. Verwijderen van plantengroei kan neerkomen op het maaien van Riet, Pitrus, Pijpenstrootje en van andere grassen. Ook hoort het verwijderen van bomen en bosopslag of kleinschalig plaggen hierbij.
Het verwijderen van slib is meestal geen goede maatregel in hoogveenvennen tenzij dit sterk verrijkt is met fosfaat (wateraanvoer, meeuwenkolonies e.d.). In vennen met drijftillen kan dit zelfs leiden tot het afzinken van drijftillen.

Vennen met isoetiden
Begroeiingen met isoetiden krijgen de beste kansen door in de vennen de voedselarmoede en de schaarste aan kooldioxide te herstellen. Dat is te bereiken door de sliblaag te verwijderen, oevers te plaggen en verzuring te voorkomen of bestrijden. Des te meer organisch materiaal en voedingsstoffen worden afgevoerd, des te beter zal het herstel zijn. Verlies van natuurwaarden is bij de herstelingreep tegen te gaan door rekening te houden met de aanwezige fauna en de eventueel aanwezige belangrijke vegetatiestructuren voor de fauna, zoals planten met drijfbladeren en oevergewassen.


In vennen waar de koolstoflimitatie en voedselarmoede in het water wordt hersteld, maar voor isoetiden nog te veel fosfaat of stikstof aanwezig is in de bodem, kunnen helofyten gaan overheersen. Vaak helpt dan aanvullend maaibeheer in droge perioden.


Overigens dragen isoetidenvegetaties zelf in belangrijke mate bij aan het in stand houden van een voedselarm venmilieu. Vennen waar grote isoetidenvegetaties succesvol hersteld zijn, zijn ook 20 jaar na herstel nog zeer voedselarm. Voorbeelden zijn het Beuven, de Bergvennen en de Keyenhurk (Landschotse heide).

Vennen met waterlaag vullende waterplanten
Alleen in een bepaald type van vennen komen veel waterlaag vullende waterplanten voor: in (zeer) zwak gebufferde vennen met voldoende kooldioxide in de waterlaag. De waterlaag is zeer voedselarm, terwijl de bodem vaak iets voedselrijker is. Deze omstandigheden worden meestal in stand gehouden door de aanvoer van voedselarm, enigszins gebufferd grondwater dat verder relatief rijk aan kooldioxide en ijzerhoudend is. Vennen met waterlaag vullende planten zijn het beste te herstellen door het gedeeltelijk of geheel verwijderen van slib, het plaggen van oevers en herstellen van de grondwatertoevoer. Echter, er moet wel een bron van CO2 aanwezig zijn. Wanneer dit niet via het grondwater wordt aangevoerd, zal dit vooral uit organisch materiaal (veen, achtergebleven slib) op de waterbodem moeten komen. In veel herstelde vennen heeft deze groep planten het nog moeilijk, juist door de lage CO2–beschikbaarheid.


Ook op droogvallende oevers kan deze vegetatie aanwezig zijn in een vorm met alleen amfibische soorten; bij hoge waterstand wordt de waterlaag opgevuld door de watervorm en bij lage waterstand ontwikkelt zich een landvorm en kunnen koolstoftekorten worden aangevuld door CO2 uit de lucht.


?Vennen met hoogveenachtige vegetatie & isoetiden
Restauratie van ruimtelijke overgangen of gradiënten van begroeiingen van isoetiden naar hoogveenachtige vegetaties komt vooral neer op het herstel van een gradiënt in het gehalte aan CO2 in het venwater. Minder gunstig voor het herstel van de isoetiden is daarbij de aanwezigheid van venige drijftillen. De waterlaag is dan vaak sterk bruin gekleurd terwijl isoetiden juist helder water nodig hebben. In grote vennen kan een ruimtelijke overgang van begroeiingen van isoetiden naar hoogveenachtige vegetaties in stand gehouden worden door de windwerking waarbij de noordoostoever kaal blijft en zich aan de zuidwestkant van het ven slib ophoopt. Ook is het mogelijk dat zulk een ruimtelijke overgang zich uitstrekt over meerdere vennen die met elkaar verbonden zijn, of ze aanwezig is in geïsoleerde uithoeken in het ven. Vaak handhaaft zich de ruimtelijke overgang van begroeiingen van isoetiden naar hoogveenachtige vegetaties alleen door de tegengestelde werking van een toevoer van grondwater en een toevoer van oppervlaktewater [A13]. Het grondwater is dan zuur en voedselarm en zorgt voor de aanvoer van kooldioxide. Het oppervlaktewater is gebufferd, en armer aan kooldioxide.


Wanneer de toestroom van grondwater afneemt, nemen hiermee ook de mogelijkheden af om de gewenste gradiënt te restaureren. Vaak is het dan nog wel mogelijk om het milieu voor isoetiden te herstellen, bijvoorbeeld door de inlaat van gebufferd, voedselarm water. Maar herstel van hoogveenmilieus is erg moeilijk en zal door de inlaat van water eerder verder worden beperkt dan gestimuleerd.


Andersom kan het ook zo zijn dat er voldoende zuur grondwater naar het ven stroomt, maar dat er geen mogelijkheden zijn om de overgang naar de gebufferde situatie te herstellen. Mogelijk is het dan beter om vooral de kansen op hoogveenontwikkeling te verbeteren en verder niet te streven naar buffering. Het is erg moeilijk om aangevoerde voedingsstoffen weer te verwijderen uit hoogveenmilieus.


?Vennen met hoogveenachtige vegetatie & waterlaag vullende planten

Zowel hoogveenvegetaties als vegetaties van waterlaag vullende planten zijn gebaat bij de aanvoer van grondwater. Toch zijn er subtiele verschillen. Drijftilvorming vanuit aquatische veenmossen vindt alleen plaats in zuur water, terwijl bijzondere vegetaties van waterlaag vullende planten juist enige buffering verlangen. Verder handhaven zich de venige drijftillen door een flinke methaangasvorming in het organisch materiaal. Hierbij komen vaak humuszuren vrij die het water sterk bruin kleuren en de groei van permanent waterlaag vullende waterplanten verhinderen. Hoogveenmilieus op de oevers zijn gebaat bij een stabiele waterstand, terwijl veel waterlaag vullende waterplanten juist optimaal tot ontwikkeling komen op af en toe droogvallende oevers. Verder zullen de hoogveenvegetaties in de loop van een natuurlijke successie geleidelijk de waterplanten vervangen.


Een combinatie van venige drijftillen met begroeiingen van waterlaag vullende planten komt voor in diepe vennen met een vrij grote waterstandsfluctuatie of in grote vennen met een stabiele waterstand. De waterlaag vullende planten bevinden zich in het eerste geval in de oeverzone en in het tweede geval in de permanent aquatische zone met helder water. In kleine vennen kunnen waterlaag vullende planten terugkeren door alleen de oeverzone op te schonen en de permanent aquatische zone met de drijftil en haar omgeving met rust te laten. In grote vennen kan behalve de oever ook een groot deel van de permanent aquatische zone van het ven worden gebaggerd. Door daarbij zowel de drijftil en omgeving uit te sparen voorkom je schade aan natuurwaarden.


Een combinatie van oevers met hoogveenplanten met begroeiingen van waterlaag vullende planten komt voor in vennen met een stabiele waterstand. Hiervoor is enige invloed van gebufferd grondwater of oppervlaktewater nodig. Zolang de juiste hydrologische situatie aanwezig is, kunnen beide vegetatiestructuren naast elkaar blijven voortbestaan. Kleinschalige plag- en baggerwerkzaamheden kunnen aan het behoud ervan bijdragen.


Een relatief onbekende factor in het geheel van deze combinatie van vegetatiestructuren is de bruine kleur van de waterlaag. Deze kleur vermindert vaak in geval van verzuring en verdroging, terwijl ze juist toeneemt als er maatregelen tegen verzuring en verdroging worden genomen. In veel vennen met bruingekleurd water waarin geen speciaal herstelbeheer is toegepast is recentelijk een versterkte kleuring opgetreden. Dit proces hangt samen met een spontaan herstelproces als gevolg van vermindering van de verzuring vanuit de lucht.


?Vennen met isoetiden & waterlaag vullende planten
Zowel isoetiden als waterlaag vullende planten hebben helder, gebufferd water nodig. Isoetiden groeien echter optimaal in water dat zo arm is aan kooldioxide dat waterlaag vullende planten daarin niet kunnen groeien. Beide soorten van begroeiingen kunnen in hetzelfde ven voorkomen indien er veel droogvallende oevers aanwezig zijn, zodat de waterlaag vullende planten zich in droge perioden kunnen uitbreiden. Ook kan deze combinatie van begroeiingen optreden in vennen waarin watergedeeltes zijn die rijker zijn aan kooldioxide, bijvoorbeeld door lokale toestroom van grondwater of lokale slibophoping. ?Om een dergelijke variatie te herstellen is het zaak ervoor te zorgen dat het grootste deel van de waterlaag arm is aan kooldioxide terwijl er ook voldoende ‘uitwijkmogelijkheden zijn voor de waterlaag vullende planten. Een eerste vereiste daarvoor is een situatie met voldoende buffering en de koolstofschaarste die daarmee samengaat. Verdere maatregelen hangen af van de koolstofbron die beschikbaar is voor waterlaag vullende planten. Als de waterlaag vullende planten uitsluitend koolstof kunnen halen uit de lucht, kunnen ze zich alleen handhaven als er voldoende droogvallende minerale oevers zijn. Als een lokale grondwatertoestroom zorgt voor koolstoftoevoer, zullen ze behouden blijven als voldoende isolatie gehandhaafd blijft tussen met en zonder grondwaterinvloed. Bij de toepassing van herstelbeheer is dat te bewerkstelligen door voor de handhaving van die isolatie te zorgen, bijvoorbeeld door daarbij helofytenvelden of dammen niet (geheel) te verwijderen. Als lokale slib- of veenlagen als koolstofleverancier voor de waterlaag vullende planten dienen, kunnen ze in hun belang deels bij het herstelbeheer gespaard worden. Ook dan is enige isolatie van vengedeelten vaak van belang. Toch zal een gedeelte van het slib uit het ven moeten worden verwijderd om vermesting tegen te gaan en kieming van karakteristieke venplanten te stimuleren.

 

VI_21.png

Figuur: Samenvatting van de in vennen voorkomende vegetatiestructuren met bijbehorend beheer (ballonnen) en knelpunten in beheer indien met meerdere structuren rekening moet worden gehouden (rode tekst bij lijnen).