Slib verwijderen
In veel vennen heeft zich als gevolg van verzuring en vermesting een sliblaag ontwikkeld. Zo’n sliblaag vormt een reservoir van nutriënten en vormt vooral door de grote zuurstofconsumptie een belemmering voor veel planten en dieren. Een vaak uitgevoerde herstelmaatregel in vennen is daarom het verwijderen van de sliblaag. Het gaat om het verwijderen van de modderlaag tot op de minerale zandbodem of de vaste veenbodem, zonder aantasting van de vorm van het ven en zonder verdieping van het ven.
Het verwijderen van slib kan in natte toestand gebeuren of na leegpompen van het ven. Opschonen in een natte situatie komt neer op baggeren. Onder droge omstandigheden kan nauwkeuriger en efficiënter worden gewerkt. Bovendien wordt de blootkomende zandbodem goed doorlucht, wat de kieming van waterplanten bevordert. De oeverzone valt van nature droog en hier kan opgehoopt organisch materiaal in het droge seizoen relatief eenvoudig worden verwijderd.
Daar waar in vermeste vennen nog bijzondere flora en fauna voorkomt in de diepere delen, zal vaak een afweging gemaakt moeten worden tussen het wel of niet droog leggen en het geheel of gedeeltelijk verwijderen van de sliblaag. Indien een gedeelte van het slib blijft zitten, kan dit zich weer snel over het ven verspreiden en kunnen voedingsstoffen uit het slib naar de waterlaag gaan. Echter voor het sparen van restpopulaties van flora en fauna kan het nodig zijn om nat te baggeren of waardevolle vegetatiestructuren te behouden. In vennen met weinig geïsoleerde delen is het vaak onmogelijk om de vermesting te bestrijden en tegelijkertijd meer dan enkele kleine stukjes te sparen. Het kan dan zinvol zijn om de sliblaag in twee fasen te verwijderen en tijdelijk een dam aan te leggen tussen beide delen. Dit is gebeurd in het Groot Malpieven, waar in de pitrusvegetatie de zeldzame kokerjuffer Oxyethira sagittifera voorkomt. In vennen met geïsoleerde delen kunnen juist deze delen worden gespaard of in latere fase worden opgeschoond. Gradiëntversterkende elementen, zoals natuurlijke drempels, ondiepten en helofytenvelden moeten niet zonder meer worden verwijderd.
Indien niet bekend is of er nog relictpopulaties van karakteristieke soorten in het ven aanwezig zijn, kunnen onderstaande vuistregels worden gehanteerd om het ongewenst verdwijnen van soorten te voorkomen:
- Fasering van de maatregelen in tijd en ruimte heeft de absolute voorkeur. Een van de weinige maatregelen waarbij fasering moeilijk is, is het verwijderen van sliblagen. Het resterende slib verspreid zich gemakkelijk weer over het hele ven. Vaak is het mogelijk om gedeelten niet op te schonen, zoals helofytenvelden, geïsoleerde delen van het ven of delen waar zich vanzelf slib ophoopt (lijzijde, diepe delen). In het uiterste geval kan een deel via een tijdelijke dam worden geïsoleerd. Dit deel bevat zoveel mogelijk van de variatie aan habitats, terwijl het andere deel wordt opgeschoond. In het geïsoleerde deel van het ven worden pas na een aantal jaren herstelmaatregelen genomen als het eerste deel zich heeft kunnen ontwikkelen.
- Veel soorten zijn afhankelijk van specifieke vegetatiestructuren en zelfs begroeiingen die vanuit vegetatiekundig oogpunt niet interessant zijn (zoals pitrusvelden) kunnen bijzondere soorten herbergen. Het is daarom belangrijk om hiervan delen te sparen.
- De sliblaag niet over het hele bodemoppervlak verwijderen, dat wil zeggen slib wel tot op de minerale bodem verwijderen, maar niet over het gehele oppervlak. Zeker voor de zich moeilijk verbreidende aquatische soorten lijkt het zinvol een deel van het slib te laten zitten.
NB. naarmate het slib rijker is aan fosfaat, wordt het moeilijker om zowel gefaseerd te werken als de vermesting effectief te bestrijden. In vennen met een fosfaatrijke sliblaag is gefaseerd opschonen alleen zinvol indien met een damwand wordt gewerkt of indien slechts kleine oppervlakten slib blijven liggen.
- Nat-baggeren heeft voor de fauna (in tegenstelling tot de flora) de voorkeur boven droog-baggeren. Hiermee is echter nog geen praktijk ervaring opgedaan. Mocht droog-baggeren toch de uitvoeringswijze zijn, dan mag het water pas vlak voor de uitvoering worden drooggelegd. Niet droogleggen in voorjaar/zomer. Wanneer een water van nature droog valt, dan heeft uitvoering op dat moment de voorkeur. Ook bij droogleggen geldt dat op het diepste punt altijd water moet blijven staan.
- Een deel van het slib en de vegetatie (10%) tijdelijk (enkele weken) in de nabijheid van het water opslaan, zodat organismen een kans krijgen naar het water terug te keren.
- Voorkom dat er na uitvoering van de maatregel vis wordt uitgezet in het water.
- Voor amfibieën is baggeren in het najaar (september) de meest gunstige tijd. Voor macrofauna is september echter geen gunstige tijd om maatregelen uit te voeren, omdat dan veel soorten net eieren hebben gelegd en kort daarna dood zijn gegaan. Voor de watermacrofauna is het beter midden in de zomer maatregelen uit te voeren, omdat dan veel insecten zich buiten het water bevinden. Maar dit is weer slecht voor amfibieën en vogels. Deze “tegenstrijdige belangen” tussen verschillende diergroepen benadrukken nog eens extra waarom gefaseerde uitvoering de voorkeur heeft.
In vrijwel nooit droogvallende, zeer zachte of vrijwel zure wateren met min of meer steile oevers kan de sliblaag een belangrijke bron van buffering zijn. Indien hier planten of dieren aanwezig zijn die afhankelijk zijn van deze geringe buffering, verdient het aanbeveling om de sliblaag niet of slechts gedeeltelijk te verwijderen of om voor een alternatieve bron van buffering te zorgen. Is het niet mogelijk om de oorspronkelijke buffering te herstellen of om verzuring te voorkomen, dan heeft het weghalen van slib geen duurzaam positief effect op de biodiversiteit. Het effect is eerder negatief. Na het verwijderen van sliblagen en overdadige plantengroei treedt doorgaans wel kieming en vestiging op van plantensoorten van gebufferde vennen, maar deze zullen in het zure water weer snel verdwijnen. Het gevolg is dat de zaadbank van deze soorten door de herstelmaatregelen vrijwel wordt uitgeput; iets wat in diverse herstelprojecten helaas al is gebeurd. Het verwijderen van slib heeft pas zin als er tevens voor gezorgd wordt dat het ven daarna niet meteen weer verzuurd en/of vermest raakt.
In regenwaterafhankelijke, zure vennen die vermest zijn door stikstofaanvoer vanuit de lucht, is het weinig zinvol om de sliblaag te verwijderen. In vennen van dit type bevinden zich vrijwel geen plantensoorten die hiervan kunnen profiteren. Wel kan het plaggen van oevers goed zijn om natte heide een kans te geven. Verwijderen van het slib kan zinvol zijn indien zich daar door vermesting vanuit de omgeving veel fosfaat heeft opgehoopt. Dan komt er een einde aan de nalevering van fosfaat vanuit het slib die een negatief effect op herstelde oevers heeft. In met fosfaat verontreinigde vennen kan zich bijvoorbeeld een pitrusvegetatie uitbreiden. Botanisch is die soortenarm en nauwelijks van waarde, maar ze kan bijzondere diersoorten herbergen. Voor de fauna is het dus beter om pitrusvegetaties niet helemaal weg te halen.
Indien in droogvallende zure vennen oude dieper gelegen veen- of humuslagen moeten worden verwijderd omdat ze te veel fosfaat bevatten, kan de wegzijging naar de ondergrond toenemen en daardoor enige verdroging optreden. Ook vormen de in de veenlaag aanwezige pollen een archief waaruit de lokale vegetatie-ontwikkeling tot ver in het verleden kan worden herleid. Hier moeten dus vooraf de voordelen (herstellen van voedselarm milieu) worden afgewogen tegen de nadelen (mogelijke verdroging, vernietiging archief).
Het verwijderen van slib is zeer effectief. In koolstof gelimiteerde zeer zwak gebufferde vennen is er na 20 jaar slechts een vrij geringe mate van slibophoping te zien geven en hebben komen kenmerkende soorten zoals overkruid nog talrijk voor. De verwachting is het herstel nog tientallen jaren duurzaam zal stand houden. In zwak gebufferde wateren die niet koolstof gelimiteerd zijn, is de duur van herstel minder lang en is het vaak nodig om aanvullend regulier beheer te voeren.