Ganzen
Twee soorten ganzen komen in vennen in grote aantallen voor: de inheemse Grauwe gans (Anser anser) en de uitheemse Canadese gans (Branta canadensis). Beide soorten gebruiken de vennen om te broeden en om te rusten. Foerageren doen ze vaak buiten de vennen in het omliggende agrarische gebied. Ganzen hebben een inefficiënt spijsverteringsstelsel. Hierdoor wordt een groot deel van het voedsel dat zij tot zich nemen, weer uitgepoept. Helaas gebeurt dit vaak op de plek waar zij rusten. Voor de voedselarme vennen zijn de ganzen daardoor een belangrijke bron van vermesting. Op de oevers waar de ganzen rusten wordt de oorspronkelijke vegetatie vertrapt en door de mesttoevoer kiemen hier snelgroeiende soorten, zoals Grote wederik (Lysimachia vulgaris) en Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum). In het doorgaans heldere water kan zelfs bloei van giftige blauwalgen optreden.
Een breed scala aan bestrijdingsmethoden wordt ingezet om de ganzenaantallen beperkt te houden: eieren worden geraapt, geschud of geolied en volwassen ganzen worden verjaagd, afgeschoten, gevangen en vergast. Daarnaast worden de eerste maatregelen onderzocht om in te grijpen in de voedselvoorziening van de ganzen door natuurgebieden uit te rasteren en door onaantrekkelijke gewassen te verbouwen. Voor een overzicht van beheersmaatregelen en hun effectiviteit zie Van der Jeugd et al. (2006).
Figuur A: Na een afwezigheid van enkele decennia’s is de Grauwe gans helemaal terug. Op veel plekken in Nederland, niet alleen in vennen, is de soort zeer talrijk.
Figuur B: Van de diverse soorten uitheemse ganzen in Nederland, neemt de Canadese gans het snelste in aantal toe.