Amfibische planten
In veel vennen komen de meest waardevolle plantengemeenschappen op de droogvallende oevers voor. In de oeverzones van vennen die langdurig onder water staan kunnen landplanten niet overleven. De waterplanten die niet aangepast zijn aan een koolstofarme waterlaag kunnen er ook niet groeien. De helofyten, de moeras- en oeverplanten breiden zich op de droogvallende oevers van de vennen slechts langzaam uit. Onder invloed van het regelmatige droogvallen is fosfaat gebonden aan ijzer en zijn de stikstofverliezen naar de lucht groot. Door de afwisselend zuurstofloze en zuurstofrijke omstandigheden kan er namelijk veel stikstof worden omgezet in gasvormig stikstof. Ophoping van organische stof in de bodem blijft op de venoevers lange tijd achterwege en daar, op het minerale zand, kan een heel gezelschap aan specialistische soorten voorkomen. Vi adeze mechanismen kunnen waterpeilfluctuaties ook worden ingezet om vermesting tegen te gaan. Vaak zijn het soorten met twee typen van bladeren, een voor onder en een voor boven water. Denk aan Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum), Knolrus (Juncus bulbosus), Vlottende bies (Eleogiton fluitans), Duizendknoopfonteinkruid (Potamogeton polygonifolius), Moerashertshooi (Hypericum elodes), Witte waterranonkel (Ranunculus ololeucos) en Geoord veenmos (Sphagnum denticulatum). Het spreekt voor zich dat dergelijke gemeenschappen zich alleen goed kunnen ontwikkelen in vennen met een relatief grote peilfluctuatie en op geleidelijk hellende oevers, waar een relatief groot oppervlak droogvalt en geen beschaduwing aanwezig is van bomen en hoge oevergewassen.