Vennensleutel


Drijftillen

Drijftillen zijn drijvende matten die bestaan uit levende en afgestorven waterplanten en die zowel in het open water of vastgegroeid aan de oever kunnen optreden. Ze kunnen in vennen op twee manieren tot ontwikkeling komen. Enerzijds ontstaan ze wanneer venig bodemmateriaal van de onderwaterbodem omhoog komt en gaat drijven en zich daar vervolgens oeverplanten op vestigen. Anderzijds ontstaan ze ook wanneer ondergedoken veenmossen in water dat relatief veel kooldioxide (CO2) bevat een veenmosdek gaan vormen dat boven het water uitsteekt. In beide gevallen is vorming van methaangas onder de drijftil nodig om de vegetatie drijvende te houden. Op drijftillen in gebufferd water kan zich een zeer bijzondere trilveenvegetatie ontwikkelen met bijvoorbeeld Plat blaasjeskruid (Utricularia intermedia) en Rood schorpioenmos (Scorpidium scorpioides). Zie ook natuurtype Trilveen. Drijftillen vormen bovendien een belangrijk structuurelement voor veel soorten macrofauna.


Groei van hoogveenplanten is ook mogelijk op venoevers onder invloed van relatief CO2-rijk grondwater. Vaak komen in vennen zowel drijftillen als oevers met hoogveenplanten voor. Dergelijke zogenoemde hoogveenvennen bevatten enkele van de best ontwikkelde hoogveenvegetaties in Nederland. Ook een deel van de hoogveenfauna van ons land komt tegenwoordig vooral in dit ventype voor. In zure vennen met hoogveenvorming en oevers met hoogveen- of trilveenplanten is het waterpeil tamelijk constant. Bij voorkeur is er een constante aanvoer van grondwater, omdat het zowel voor het beperken van waterstandsfluctuaties zorgt als voor de aanvoer van CO2. De peilfluctuaties zijn gedurende het hele jaar niet groter dan een halve meter. In zure vennen die iedere zomer zo goed als geheel droogvallen kunnen wel veenmossen groeien maar hoogveenvorming en veenverlanding treedt daar niet op. Veenmossen op oevers sterven af als het ven droogvalt en als een drijftil droogvalt komt de methaangasproductie stil te liggen waardoor het drijfvermogen verdwijnt. Bestaat de veenmosvegetatie geheel of bijna geheel uit Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum) en blijft het veenmosdek los en slap, dan is er te weinig ven kooldioxide in het ven en/of het ven valt ieder jaar grotendeels droog. De peilfluctuatie kan hier meer dan een meter groot zijn gedurende het jaar.


Karakteristiek voor de zure hoogveenvennen zijn de zachte kleurrijke tapijten of kussens met verschillende veenmossoorten (o.a. Sphagnum magellanicum, S. papillosum, S. rubellum, S. palustre, S. nemorum, S. tenellum en S. pulchrum). Aan hogere plantensoorten die zich in hoogveensystemen thuis voelen komen bijv. voor: Beenbreek (Narthecium ossifragum), Snavelbiezen (Rhynchospora spec.), Lavendelheide (Andromeda polifolia), Gewone dophei (Erica tetralix), Kleine veenbes (Oxycoccus macrocarpos) en Eenarig wollegras (Eriophorum vaginatum). Vergelijk verder ook met het natuurtype Hoogveen.


Hoogveenvennen vormen belangrijk leefgebied van de karakteristieke veenvlinders, het veenbesblauwtje (Plebeius optilete), de veenbesparelmoervlinder (Boloria aquilonaris) en het veenhooibeestje (Coenonympha tullia). Aan de randen tussen de draad- en snavelzegge leeft de zeldzame Speerwaterjuffer (Coenagrion hastulatum) en tussen het veenmos leven diverse soorten waterkevers van het genus Hydroporus.

 

fig A52-1.png

 

Figuur A: Een drijftil heeft Het Klein Hasselsven grotendeels gevuld, alleen aan de randen is nog open water met een zone begroeid met Draad- en Snavelzegge. Tussen de zegges leeft de zeldzame Speerwaterjuffer.

 

fig A52-2.png

 

Figuur B: De larve van de Veenbesparelmoervlinder op haar waardplant.