Vennensleutel


Berkenbroekbos

Het Berkenbroekbos vormt het natuurlijke eindstadium op kalkloze, natte, voedselarme bodems. De bodem is moerig, venig of bestaat aanvankelijk uit een drijftil. De optimale zuurgraad voor berkenbroekbos omvat voor de bovengrond alleen zure condities met een pH-H2O beneden 4,5 en een pHKCl beneden 3,8. Berken kunnen zich pas vestigen wanneer er in de zomer oppervlakkige uitdroging plaatsvindt.

 

Langs hoogveenvennen bestaat de ondergroei van het berkenbroek vooral uit hoogveensoorten, zoals Gewone dophei (Erica tetralix), Veenpluis (Eriophorum angustifolium) en Eénarig wollegras (Eriophorum vaginatum). Langs andere ventypen [A2] komt in de ondergroei Klein glidkruid (Scutellaria minor) en Veldrus (Juncus acutiflorus) voor.

 

Berkenbroek is niet bijzonder rijk aan korstmossen, maar wel aan bladmossen. Op de bodem komt vaak een gesloten moslaag voor van vrij algemene veenmossoorten. Het aantal epifyten is niet groot; een gemeenschappelijke soort met droog berkenbos is Klein franjemos (Ptilidium pulcherrimum). Wel kan er een rijke mosflora ontstaan op liggende, dode stammen, met o.a. Viertandmos (Tetraphis pellucida) , Glanzend maanmos (Cephalozia connivens) en andere kleine levermossen.

 

De grootste botanische diversiteit in berkenbroekbos is te vinden in de mycoflora; er kunnen enkele honderden soorten paddenstoelen voorkomen. Hierin zijn drie grote groepen te onderscheiden: houtbewonende soorten, strooiselafbrekers en mycorrhiza vormende soorten. De meeste specifieke soorten behoren tot enkele geslachten van mycorrhiza vormende soorten, met name gordijnzwammen, melkzwammen, boleten en russula’s.


Over het voorkomen van ongewervelden in berkenbroek is relatief weinig bekend. Bont dikkopje (Carterocephalus palaemon) en Spiegeldikkopje (Heteropterus morpheus) worden echter vaak waargenomen op de overgangen van berkenbroekbos naar vochtige heide of hoogveen. De vijf grotere, resterende populaties van het Spiegeldikkopje bevinden zich alle in terrein met een flink aandeel berkenbroekbos. Ook een aantal soorten nachtvlinders is in meer of mindere mate afhankelijk van het voorkomen van berkenbroeken. De rupsen van deze soorten gebruiken berk als waardplant en kunnen zowel in droge als natte situaties voorkomen. De Tweekleurige tandvlinder (Leucodonta bicoloria) is één van de meest aan Berkenbroeken gebonden nachtvlinders.

 

Daarnaast biedt berkenbroek schuilgelegenheid voor gewervelden. Adder (Vipera berus), Gladde slang (Coronella austriaca) en Heikikker (Rana arvalis) gebruiken randen van Berkenbroeken hiervoor, zeker als er overgangen zijn naar hoogveen of heide. Voor enkele vogels waaronder de Matkop (Parus montanus) en de Barmsijs (Carduelis flammea) is Berkenbroek een belangrijk broedhabitat. Verder is berkenbroekbos vaak afgelegen en moeilijk toegankelijk, wat het geschikt maakt voor rustzoekers zoals Houtsnip (Scolopax rusticola).

fig_A35-1.png


Figuur: Berkenbroekbos in het Lommerbroek, een verlande Maasmeander waar een venachtig milieu verland is door gagelstruweel en berkenbroek. Foto: E.Brouwer.