Buffering
Buffering is het zuurneutraliserende vermogen van het water en wordt ook wel buffercapaciteit of alkaliniteit genoemd. In oppervlaktewater wordt de buffercapaciteit vrijwel geheel bepaald door de hoeveelheid opgelost bicarbonaat (HCO3-) en carbonaat (CO32-). Indien er geen bicarbonaat aanwezig is, is de zuurgraad (pH) 4,2 of lager.
De hardheid van venwater wordt op grond van de buffercapaciteit in vier categorieën verdeeld: (I) zuur water heeft nauwelijks of geen buffercapaciteit, (II) zeer zacht water met 50-200 micro-equivalent buffercapaciteit, (III) zacht water heeft een buffercapaciteit van 200 tot 1000 micro-equivalent en (IV) (matig) hard water met meer dan 1000 micro-equivalent buffercapaciteit. Op basis van de buffercapaciteit zijn dan drie typen vennen te onderscheiden: zure vennen, zeer zwak gebufferde vennen en zwak gebufferde vennen. Wateren met (matig) hard water worden niet tot de vennen gerekend. Soms zijn deze wateren uit vennen ontstaan door alkalinisatie.
De buffercapaciteit van het venwater wordt voor een groot deel bepaald door de hydrologie van de vennen. Grondwater dat in vennen uittreedt is een belangrijke bron van buffering. Als het grondwater in contact is geweest met kalkrijke bodemlagen, zoals leem, neemt de buffercapaciteit toe. Naast grondwater is ook oppervlaktewater vaak gebufferd en inlaat daarvan in vennen zorgt voor een verhoogde alkaliniteit. Regenwater daarentegen bevat geen enkele buffering en vennen die uitsluitend door neerslag worden gevoed zijn meestal zuur. Omdat de hoeveelheid kalk in veel gevallen afhankelijk is van de hoeveelheid grondwater en de ouderdom van het grondwater dat in de vennen terecht komt, hebben de verschillende ventypen vaak een andere plek in het landschap. Daarbij liggen de zure vennen hoog in het landschap waar grondwater afwezig is en de gebufferde liggen laag op de helling waar het grondwater al enige tijd in de bodem is verbleven. Elk van deze ventypen kent haar eigen levensgemeenschappen. Door aantastingen zoals verzuring en vermesting veranderen deze gemeenschappen en is het vaak moeilijk om te bepalen bij welk type een ven hoort. Voor de diagnose is een speciaal hulpmiddel beschikbaar: de vennensleutel.
Een alternatieve vorm van buffering treedt op in zuurstofloze organische bodems. Bij de vorming van gereduceerde verbindingen zoals ammonium, sulfide, pyriet en gereduceerd ijzer, wordt zuur verbruikt waardoor de buffercapaciteit toeneemt.
Figuur B: Naarmate vennen lager in het landschap liggen, zijn ze vaak sterker gebufferd