Vennensleutel


Peilbeheer als maatregel tegen vermesting

In droogvallende delen van vennen wordt stikstof versneld afgevoerd, fosfaat vastgelegd aan ijzer en organisch materiaal versneld afgebroken. Het droogvallen van delen van vennen kan dus een maatregel tegen vermesting zijn. Maar deze maatregel is niet voor elk type ven geschikt (zie figuur A).

 

 

 

 

 

 

 

Figuur A: Beslisondersteuning om na te kunnen gaan of droogval een mogelijke maatregel is om vermesting te bestrijden. De nummers 1 t/m 5 verwijzen naar de hieronder volgende nummers.

De frequentie, lengte en mate van droogval bepaalt in hoge mate het oligotrofierende effect. Een droogvalperiode van 2-4 weken, waarin het slib even goed uitdroogt, is doorgaans voldoende en het effect daarvan kan jaren aanhouden. Maar een grotere frequentie (jaarlijks) en een groter droogvallend oppervlak heeft uiteraard meer effect. De bijwerkingen kunnen dan ook groter zijn, met name voor flora en fauna die hier gevoelig voor is. In figuur B is aangegeven hoe hiermee om gegaan kan worden.

 

 

 

 

 

 

 

Figuur B: Ondersteunende beslisboom voor de uitvoering van versterkte droogval als maatregel tegen vermesting. De nummers 8 t/m 10 verwijzen naar de hieronder volgende nummers.

  1. Mogelijkheden voor peilregulatie
    Regulatie van het waterpeil in vennen is alleen mogelijk indien er een natuurlijke of gegraven verbinding met andere wateren aanwezig is of was. Het waterpeil kan hier worden gereguleerd door, indien afwezig, deze verbinding te herstellen. Vrijwel altijd gaat het om een waterafvoer. In theorie kan droogval ook worden gestimuleerd door een wateraanvoer in de zomer af te knijpen of stop te zetten. Doorgaans gaat het dan echter om relatief voedselrijk water en wordt eutrofiering vooral veroorzaakt door dit voedselrijke water. In de praktijk is peilregulatie dus mogelijk indien een waterafvoer aanwezig is, of een voormalige waterafvoer hersteld kan worden.
    Veel vennen liggen geïsoleerd in het landschap ; ze zijn niet verbonden met andere wateren en het waterpeil wordt bepaald door neerslag, wateraanvoer uit het inzijggebied, verdamping en wegzijging. Het is doorgaans niet wenselijk om in te grijpen in deze natuurlijke dynamiek. Kies in zo’n geval voor ”mogelijkheid voor peilregulatie niet aanwezig”.

  2. Fluctuerend/stabiel peil
    Het verschil tussen de gemiddeld hoogste jaarlijkse waterstand en de gemiddeld laagste waterstand kan variëren van 0 cm tot meer dan een meter. De hydrologie bepaalt deze verschillen. In vennen met een schijngrondwaterspiegel en een vrijwel water ondoorlatende ondergrond, daalt de waterstand alleen door net neerslagtekort in de zomer. De jaarlijkse fluctuatie blijft dan beperkt tot maximaal 30 cm. Ook vennen die in een grondwatersysteem met een constant peil liggen, kennen een stabiel waterpeil. Vennen met veel wegzijging of vennen die in contact staan met een grondwatersysteem met wisselende waterstanden, kennen een wisselend waterpeil. Doorgaans is de jaarlijkse fluctuatie meer dan 50 cm. Let wel, in sommige vennen wordt water ingelaten om te grote peilfluctuaties te voorkomen.

  3. Gebufferd of zuur ven?
    In zure vennen wordt de vegetatie gedomineerd door knolrus, veenmossen, vensikkelmos en oevergewassen als gewone waterbies, snavelzegge en veenpluis. De zuurgraad is doorgaans beneden pH 5 en de buffercapaciteit beneden 50 micro-equivalent per liter. Alleen bij algenbloei kan de pH hoger oplopen.
    In gebufferde vennen is de zuurgraad doorgaans hoger dan pH 5 en is de buffercapaciteit tussen 50 en 1000 micro-equivalent per liter. In zeer zwak gebufferd water verschijnen soorten als vlottende bies en duizendknoopfonteinkruid, en op de oevers riet, veelstengelige waterbies. Ook slakken, vissen en salamanders zitten vooral in gebufferd water.

  4. Oever steil of vlak Een grotere peilfluctuatie leidt alleen tot voldoende droogval indien er een voldoende oppervlak droogvallende oever aanwezig is. Wanneer dit oppervlak minder dan 10% van het totaal is, is het oligotrofiërende effect van een lager zomerpeil onvoldoende. Wanneer meer dan de helft droogvalt is het effect groot.

  5. Droogval mits..
    In zure vennen (met een fluctuerend peil en een vlakke oever) is mineraal stikstof vooral aanwezig als ammonium en verloopt de omzetting naar gasvormig stikstof traag. Droogval is hier dus vooral een middel om fosfaat te binden en dus vooral geschikt voor vennen met een relatief hoge beschikbaarheid van fosfaat.
    In gebufferde vennen met steile oevers, leidt meer peilfluctuatie alleen tot voldoende droogval indien het oppervlak droogvallende oever flink kan worden vergroot. Hier zullen dus eerst oevers moeten worden afgevlakt.

  6. Andere vermestingsbronnen
    Indien de waargenomen eutrofieringsverschijnselen niet alleen door stikstofdepositie worden veroorzaakt, is het zeer wenselijk om de additionele bronnen van voedingsstoffen zo veel mogelijk weg te nemen. Denk bijvoorbeeld aan instroom van voedselrijk (grond-)water, grote aantallen watervogels, bladinwaai, onvoldoende windwerking e.d. Zie hiervoor ook de sleutel  over oorzaken voor vermesting.

  7. Droogvalgevoelige flora & fauna
    Sommige planten of dieren komen alleen voor in wateren met een relatief stabiel peil, inclusief vennen waar het waterpeil op kunstmatige wijze stabiel wordt gehouden. Indien aanwezig, zal er een keuze gemaakt moeten worden tussen de voor- en nadelen van droogval.

    Enkele voorbeelden:
    - Drijftillen
    - Veenmosvegetaties
    - Vissen
    - Broedende rietvogels

  8. Timing wateraflaat
    De wateraflaat die nodig is voor droogval draagt bij eventuele verdroging van vennen. Om dit effect zo veel mogelijk te beperken, kan droogval het beste laat in het seizoen worden uitgevoerd. De waterstand is dan vaak al lager en bovendien is het risico beperkt dat er nog een lange, droge periode volgt waardoor extreme uitdroging op gaat treden. In vennen waar geen of weinig droogvalgevoelige soorten voorkomen, kan jaarlijks na het broedseizoen worden begonnen met aflaat. Daar waar droogvalgevoelige soorten aanwezig zijn, kan het effect op deze soorten beperkt worden door de droogval minder frequent uit te voeren. De maatregel is dan wel minder effectief, vooral wat betreft de stikstofafvoer (fosfaat blijft deels nog wel enkele jaren gebonden). Er kan bijvoorbeeld voor gekozen worden om elk jaar pas in augustus water af te laten. Alleen in een relatief droge nazomer zal dan voldoende uitdroging optreden.