Peilfluctuaties
In een geïsoleerd ven is de waterafvoer in de zomer doorgaans groter dan de wateraanvoer, vooral door de sterke verdamping en door inzijging. In de winter is er juist een neerslagoverschot en wordt er meer grondwater aangevoerd dan dat er oppervlaktewater inzijgt. Hierdoor ontstaat een jaarlijks peilfluctuatie. In vennen met een relatief stabiel peil bedraagt het verschil tussen de laagste en hoogste waterstanden minder dan een halve meter.
Geïsoleerde vennen met een schijngrondwaterspiegel op een volledig waterkerende laag verliezen alleen vocht door verdamping, waardoor in een gemiddelde zomer het peil slechts 20 cm daalt. Nog stabieler zijn sommige doorstroomvennen, die aan één kant grondwater ontvangen, dat aan de andere kant via inzijging of oppervlakkige afvoer weer verdwijnt. In de winter is de doorstroom groot en in de zomer klein, maar het waterpeil gaat pas dalen als de aanvoer vrijwel stilvalt.
Een grote peilfluctuatie treedt op in vennen die in contact staan met een grondwatersysteem met een grote peilfluctuatie, bijvoorbeeld in de duinen, in grote dekzandruggen of aan de rand van rivierdalen. Ook vennen op een niet geheel waterkerende laag verliezen veel vocht in de zomer, wat in de winter wordt aangevuld door grond- of oppervlaktewater vanuit de omgeving.
Figuur: Schematische dwarsdoorsneden met een viertal veel voorkomende hydrologische situaties die de mate van peilfluctuatie in een ven sturen. De mate van peilfluctuatie wordt onder meer bepaald door het type grondwatersysteem waarin het ven ligt, eventuele aanvoer van oppervlaktewater en, in het geval van een schijngrondwaterspiegel, de lekverliezen naar de ondergrond.
De jaarlijkse peilfluctuatie en de frequentie van droogvallen is bepalend voor het type ven dat ontstaat. Veel vegetaties van zwak gebufferde vennen zijn gebonden aan jaarlijks droogvallende oevers en dus een flinke peilfluctuatie. Het betreft isoetide soorten en amfibische soorten. Hoogveenvegetaties daarentegen ontwikkelen zich beter bij een stabiel waterpeil in niet droogvallende vennen.
Veel natuurterreinen hebben te leiden van verdroging, waardoor de waterstanden vooral in de zomer diep wegzakken. Op veel plekken wordt dit tegengegaan door vernattingsmaatregelen zoals het herstellen van grondwaterstromen en het vasthouden van water in de natuurterreinen. In sommige gevallen wordt de waterstand in het ven echter zo hoog opgestuwd dat dit de grondwatertoevoer belemmert. Dan kan het zinvol zijn de waterstand iets te verlagen om de grondwateraanvoer te stimuleren. Als venoevers incidenteel droogvallen stof droogt de organische stof die zich daar heeft opgehoopt uit en wordt het snel afgebroken. Peilfluctuaties belemmeren zo dus de accumulatie van slib. Daarnaast speelt droogval een beperkende rol in de beschikbaarheid van stikstof en fosfaat. Op deze wijze kunnen peilfluctuaties worden ingezet om droogval te bevorderen en daarmee vermesting terug te dringen (Van Kleef et al. 2014), zie ook de beslisboom hierover. Echter deze beheersingreep is niet onder alle omstandigheden zinvol en kan ook schadelijk zijn voor flora en fauna. Of het zinvol is om gedeeltelijke droogval in te zetten in het beheer is afhankelijk van de mogelijkheid voor het reguleren van het waterpeil, de zuurgraad van het ven en de steilheid van de oevers.
Regulatie van het waterpeil in vennen is alleen mogelijk indien er een natuurlijke of gegraven verbinding met andere wateren aanwezig is of was. Het waterpeil kan hier worden gereguleerd door, indien afwezig, deze verbinding te herstellen. Vrijwel altijd gaat het om een waterafvoer. In theorie kan droogval ook worden gestimuleerd door een wateraanvoer in de zomer af te knijpen of stop te zetten. Doorgaans gaat het dan echter om relatief voedselrijk water en wordt eutrofiëring vooral veroorzaakt door dit voedselrijke water. In de praktijk is peilregulatie dus mogelijk indien een waterafvoer aanwezig is, of een voormalige waterafvoer hersteld kan worden. Veel vennen liggen geïsoleerd in het landschap; ze zijn niet verbonden met andere wateren en het waterpeil wordt bepaald door neerslag, wateraanvoer uit het inzijggebied, verdamping en wegzijging. Het kunstmatig induceren van droogval door waterpeilverlaging kan ongewenste gevolgen hebben voor grondwatergevoede habitattypen elders in het terrein. Het is doorgaans niet wenselijk om in te grijpen in deze natuurlijke dynamiek.
In vennen met een schijngrondwaterspiegel en een vrijwel water ondoorlatende ondergrond, daalt de waterstand alleen door het neerslagtekort in de zomer. De jaarlijkse fluctuatie blijft dan beperkt tot maximaal 30 cm. Ook vennen die in een grondwatersysteem met een constant peil liggen, kennen een stabiel waterpeil. In deze vennen komen vaak soorten voor die afhankelijk zijn van de stabiele waterstand, zoals diverse soorten veenmossen en moerasvogels. In deze vennen is het niet wenselijk om peilfluctuaties te stimuleren, omdat dit ten koste gaat van deze soorten. Vennen met veel wegzijging of vennen die in contact staan met een grondwatersysteem met wisselende waterstanden, kennen een wisselend waterpeil. Doorgaans is de jaarlijkse fluctuatie meer dan 50 cm. In deze vennen is het stimuleren van peilfluctuaties mogelijk wel zinvol. Let wel, in sommige vennen wordt water ingelaten om te grote peilfluctuaties te voorkomen en hebben zich soorten gevestigd die slecht om kunnen gaan met peilfluctuaties.
In zure vennen (met een fluctuerend peil en een vlakke oever) is mineraal stikstof vooral aanwezig als ammonium en verloopt de omzetting naar gasvormig stikstof traag. Droogval is hier dus vooral een middel om fosfaat te binden en dus uitsluitend geschikt voor vennen met een relatief hoge beschikbaarheid van fosfaat.
Een grotere peilfluctuatie leidt alleen tot voldoende droogval indien er een groot oppervlak droogvallende oever aanwezig is. Wanneer dit oppervlak minder dan 10% van het totale venoppervlak is, is het oligotrofiërende effect van een lager zomerpeil gering. Wanneer meer dan de helft droogvalt, is het effect groot. In vennen met steile oevers heeft een grotere peilfluctuatie dus weinig effect, tenzij tevens de oevers worden afgevlakt.
Indien de waargenomen eutrofiëringsverschijnselen niet alleen door stikstofdepositie worden veroorzaakt, is het zeer wenselijk om de additionele bronnen van voedingsstoffen zo veel mogelijk weg te nemen. Denk bijvoorbeeld aan instroom van voedselrijk (grond-)water, grote aantallen watervogels, bladinwaai, onvoldoende windwerking e.d. De wateraflaat die nodig is voor droogval draagt bij aan eventuele verdroging van vennen. Om dit effect zo veel mogelijk te beperken, kan droogval het beste laat in het seizoen worden uitgevoerd. De waterstand is dan vaak al lager en bovendien is het risico beperkt dat er nog een lange, droge periode volgt waardoor extreme uitdroging op gaat treden. In vennen waar geen of weinig droogvalgevoelige soorten voorkomen, kan jaarlijks na het broedseizoen (vanaf juli) worden begonnen met aflaat. Daar waar droogvalgevoelige soorten aanwezig zijn, kan het effect op deze soorten beperkt worden door de droogval minder frequent (1 keer per 2-5 jaar) uit te voeren. De maatregel is dan wel minder effectief, vooral wat betreft de stikstofafvoer (fosfaat blijft deels nog wel enkele jaren gebonden). Er kan bijvoorbeeld voor gekozen worden om elk jaar pas in augustus water af te laten. Alleen in een relatief droge nazomer zal dan voldoende uitdroging optreden.