Vennensleutel


Successie

De climaxvegetatie van vennen is broekbos. Bij het ontstaan van een ven is doorgaans sprake van een waterlaag op een kale zandbodem. De snelheid waarmee deze begroeid raakt is afhankelijk van o.a. waterdiepte, voedselrijkdom van de bodem, mate van peilfluctuatie en golfslag en beschikbaarheid van kooldioxide in de waterlaag. Ook de hoeveelheid bladinwaai vanuit de omgeving en de mate waarin grazers de plantengroei wegvreten bepaalt de successiesnelheid. De  biodiversiteit van vennen kan alleen over de volle breedte worden behouden als er van elk ventype voldoende vennen aanwezig zijn, en als er binnen elk ventype van elk successiestadium voldoende vennen aanwezig zijn. In een natuurlijke situatie ontstaan er telkens nieuwe vennen, en verandert binnen zo’n ven de soortensamenstelling voortdurend als gevolg van deze successie. De dispersiemogelijkheden moeten dus gelijke tred kunnen houden met deze successie.


In de huidige situatie zijn de dispersiemogelijkheden sterk afgenomen door versnippering en kwaliteitsverlies. De successiesnelheid is echter niet afgenomen, en nieuwe successiestadia worden daarom steeds langzamer bevolkt met de bijbehorende soorten. Bij het omgaan met successie zijn dus 2 vragen van groot belang. 1) Zijn er van het betreffende ventype voldoende successiestadia in een terrein aanwezig? 2) Kunnen de bijbehorende soorten de nieuwe successiestadia ook tijdig bereiken?


Overigens kunnen in een ven meerdere successiestadia aanwezig zijn, zeker in grotere vennen met een gevarieerde oeverlijn.


 

VI_11.png

 

Figuur A: Schematische successie in een zuur, CO2-arm ven 

VI_12.png

Figuur B: Schematische successie in een zuur, CO2-rijk ven

 

 

VI_13.png


Figuur C: Schematische successie in een gebufferd, CO2-arm ven

 

VI_14.png


Figuur D: Schematische successie in een gebufferd, CO2-rijk ven