Vennensleutel


Ontstaanswijzen

In een natuurlijke situatie – een situatie zonder invloed van de mens - ontstaan vennen voortdurend als gevolg van grootschalige processen. Denk hierbij aan de invloed van gletsjers, verstuivingen, verlegging van beek- en rivierdalen en stijging van de grondwaterstand. Een stijging van de grondwaterstand kan optreden als gevolg van zeespiegelstijging, kustaangroei, veenvorming en vorming van ondoorlatende lagen in zogenoemde podzol-landschappen. Vennen verdwijnen ook weer door bijvoorbeeld daling van de grondwaterstand, maar ook door vegetatiesuccessie waarbij verlanding van het ven plaatsvindt. Onder redelijk stabiele, natuurlijke omstandigheden kan de kenmerkende flora en fauna zich enkele jaren tot vele eeuwen handhaven. In veel natuurlijke situaties vindt periodieke terugzetting van de opeenvolgingen in de vegetatie plaats. Venplanten hebben zich aan deze tamelijk dynamische omstandigheden aangepast door zaad te produceren dat vele tientallen jaren kiemkrachtig blijft.


Over het oppervlak aan venmilieus in de oorspronkelijke situatie is helaas niets bekend. De dichtheid van de vennen in het landschap moet zeker plaatselijk vrij hoog geweest zijn. Vroeger stonden een aantal van de vensystemen met elkaar in verbinding via rivieren, beken en laagten met doorstroming van water. Via deze verbindingen was de verspreiding van zaden mogelijk.


Tijdens de middeleeuwen zijn de grootschalige natuurlijke processen in vennenlandschappen tot stilstand gekomen. Dat gebeurde tenminste ten dele onder invloed van menselijke activiteiten. De vennen kwamen zo in een zogenoemd halfnatuurlijk landschap te liggen. In dat landschap zijn de grootschalige natuurlijke processen vastgelegd en spelen de kleinschalige activiteiten van de mens een bepalende rol, aangevuld door de grootschalige verstuivingen die ontstonden door overexploitatie van de zandgronden. Nieuwe vennen ontstaan hier bijvoorbeeld door zand- en leemwinning, viskweek, de aanleg van ijsbaantjes en het uitstuiven van zand tot op het grondwater. Op veel plaatsen houdt het agrarische gebruik de vegetatiesuccessie tegen: begrazing, maaien en plaggen van oevers en verwijdering van bomen en struiken. Ook zet turf- en veenmoswinning de successie terug zoals ook winning van bagger voor verbetering van landbouwpercelen. Op een aantal plaatsen vormen zich bijzonder soortenrijke gradiënten doordat kalkhoudend, matig voedselrijk water door voedselarme, zure vengebieden heen werd geleid. ?


Ook dit halfnatuurlijke landschap is echter verleden tijd. Rond 1880 -1950 stopt de mens vrijwel overal met zijn traditionele kleinschalige activiteiten en worden stuifzanden door bosaanplant “overwonnen”. Als gevolg daarvan ontstaan er geen nieuwe vennen meer en beginnen de bestaande vennen via natuurlijke successie te verlanden of te verzuren, sommigen langzaam, anderen sneller. Vennen werden lange tijd beschouwd als vrijwel natuurlijke systemen en de invloed van de traditionele vormen van gebruik op het behoud van de vennen werd niet gezien. Gelukkig is dat inmiddels wel veranderd.?In het belang van de natuur en het landschap worden de vennen inmiddels beheerd en gaat de mens de vegetatiesuccessie weer op veel plaatsen tegen. In vennenlandschappen wordt begrazingsbeheer toegepast of er wordt gemaaid en houtopslag verwijderd. Dit reguliere beheer kan gezien worden als voortzetting van traditioneel gebruik. Dit geldt ook voor het uit vennen verwijderen van bagger, het plaggen van oevers en de inlaat van gebufferd water in vennen, maar het is tegenwoordig gebruikelijk dit tot het zogenoemde herstelbeheer te rekenen.


Verder ontstaan tegenwoordig nieuwe vennen door natuurontwikkelingsprojecten. Belemmeringen vormen hierbij vaak het ontbreken van een zaadbank van kenmerkende venplanten in de bodem en de geringe verspreidingsmogelijkheden voor venplanten en dieren in het hedendaagse landschap.