Vennensleutel


Wilgenstruweel

De bodem in deze struwelen is licht gebufferd met een pH tussen de 4,8 en 6,1. De struwelen zijn bestand tegen hoge waterstanden en kunnen perioden van inundatie goed verdragen. Struwelen, die behoren tot de associatie van Grauwe wilg groeien op wat voedselrijkere standplaatsen. Hierdoor ontstaat wilgenstruweel vaak langs vennen en op drijftillen in vennen waar verrijking met voedingsstoffen heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld als gevolg van broedende of pleisterende watervogels [A91]. Op natte, stagnante plekken vormen zij vaak het eindstadium van de successie. Maar als in de loop der tijd door accumulatie van bladmateriaal en afgestorven bomen het maaiveld stijgt en de invloed van regenwater toeneemt kan successie optreden richting Berkenbroekbos.


De ondergroei van wilgenstruwelen is botanisch niet bijzonder rijk en bestaat uit ruigtesoorten als Riet (Phragmites australis), Grote wederik (Lysimachia vulgaris) en Hennegras (Calamagrostis canescens). Daarnaast komen grotere zeggensoorten als Stijve zegge (Carex elata), Hoge cyperzegge (Carex pseudocyperus) en Pluimzegge (Carex paniculata) regelmatig voor.


Een groot verschil tussen wilgen- en gagelstruwelen is gelegen in de epifytische mosflora. Daar waar stammetjes van gagel arm aan mossen zijn, kan er op wilgenstammen en –takken een goed ontwikkelde mosflora voorkomen. Dit is te danken aan de basenrijke schors van wilgen, aan een vochtig microklimaat en aan de licht doorlatende kroon van wilgen. Op de kleinere takken komen vooral veel soorten Haarmutsen (Orthotrichum) en Kroesmossen (Ulota) voor. Wilgenstruwelen kennen een rijke paddestoelenflora. Grote aantallen mycorrhizabegeleiders, strooiselafbrekers en houtbewoners kunnen voorkomen.


Voor veel ongewervelde dieren vormt wilgenstruweel in het Nat zandlandschap een belangrijke bron van voedsel (Van Duinen et al. 2014). Door de vroege bloeitijd is wilg één van de belangrijkste voorjaarsnectarbronnen voor bijvoorbeeld vroeg vliegende bijen en vlinders. Een sprekend voorbeeld hiervan is de Donkere wilgenzandbij (Andrena apicata). Deze soort nestelt op droge stuifzandachtige plaatsen, maar is in het vroege voorjaar grotendeels aangewezen op nectar van bloeiende wilg. Wilgen bieden niet alleen voedsel in de vorm van nectar en pollen maar ook de bladeren en hout dienen als voedsel voor ongewervelden. Wilg is de waardplant voor een aantal bijzondere nacht- en dagvlindersoorten.


Wilgen- en gagelstruwelen brengen ook structuur aan in het overwegend open Nat zandlandschap en bieden daarmee broedgelegenheid aan diverse struweelvogels als de Blauwborst (Luscinia svecica), Nachtegaal (Luscinia megarhynchos) en Waterral (Rallus aquaticus).

 

fig A34.png

 

Figuur: Wilgenstruweel, zoals hier in het Korenburgerveen, vormt een belangrijke nectarbron voor veel insecten. Foto: R. Felix.