Vennensleutel


Struwelen

Op de oevers van vennen kunnen drie soorten struweel tot ontwikkeling komen. Meest bekend is het gagelstruweel dat de randen van veel vennen een kenmerkende roodbruine kleur geeft. Wilde gagel (Myrica gale) wordt al eeuwenlang door de mens gewaardeerd en geoogst. In de Middeleeuwen werd Wilde gagel bijvoorbeeld gebruikt bij het maken van bier. Wilde gagel wordt ook nog steeds om commerciële redenen geplukt, wat de belangrijkste reden is geweest om de plant in de jaren zeventig van de vorige eeuw tot beschermde plant te verklaren.


Een veel minder gewaardeerde en door veel natuurbeheerders zelfs actief bestreden struweeltype is wilgenstruweel, doorgaans bestaand uit Grauwe wilg (Salix cinerea). De hoge wilgenstruiken verdringen rietkragen en lage vegetaties en het vele, voedselrijke blad kan leiden tot eutrofiering. Echter, wilgenstruwelen hebben ook een belangrijke, eigen natuurwaarde. 

 

Het laatste struweeltype dat zich langs vennen kan ontwikkelen is berkenbroekbos. Dit bostype heeft betrekkelijk weinig aandacht gekregen in het Nederlandse natuurbeheer. Doordat veel beheerders een open landschap nastreven wordt ontwikkeling van dit bostype ook regelmatig tegengewerkt door het inzetten van grote grazers en het verwijderen van berkopslag. Het komt voor langs hoogveenvennen als hoogveenberkenbroek en langs vennen als doorstroom-berkenbroek.

 

Achtergrondinformatie over het functioneren, de natuurwaarden, bedreigingen en beheer van deze struwelen is te vinden in het OBN-rapport “Preadvies kleine ecotopen in de hydrologische gradiënt” [Bobbink et al. 2013]