Landgebruik
Het landgebruik kan op grote afstand de waterkwaliteit van vennen beïnvloeden. Veel vennen worden namelijk niet alleen gevoed met regenwater dat er in terecht komt, maar ontvangen ook grondwater dat enige afstand door de bodem heeft afgelegd alvorens in het ven te komen. Dit grondwater kan van dichtbij, maar ook van veraf komen. De gebieden waar regenwater in de bodem trekt (infiltreert), dat later als uittredend grondwater in vennen terecht komt, noemen we het inzijggebied.
Een speciaal geval vormen de stuifzanden. Vrijwel al het regenwater dat hier valt, verdwijnt in de zandondergrond, waardoor hier relatief grote grondwaterstromen richting ven kunnen ontstaan. Door het ontbreken van vegetatie is de verzuring op deze bodems minder. Ook dragen een versterkte verwering als gevolg van het stuiven en het bovenkomen van beter gebufferde bodems uit de diepere ondergrond door het wegstuiven van de ontkalkte toplaag, er aan bij dat het grondwater uit stuifzanden vaak relatief goed gebufferd is.
Lage vegetaties, zoals schraalgraslanden en heidevelden vangen relatief weinig stikstof en vocht in. Meestal spoelt er geen nitraat uit en het grondwater dat hier ontstaat is doorgaans van goede kwaliteit.
Bossen filteren bij droog weer veel stikstof (droge depositie) uit de atmosfeer en bij nat weer blijft er veel vocht in het kronendak en de humuslaag achter. Toename van het aandeel bos zorgt dus voor een afname van de grondwatertoevoer naar vennen en bovendien is dit grondwater vaak met nitraat belast, met dezelfde gevolgen als hierboven genoemd voor de landbouwgronden. Ook de aanplant van productiebossen met name tot de periode 1950 heeft op deze wijze bijgedragen aan de vermesting. Wel zijn de nitraatconcentraties doorgaans lager dan onder landbouwgronden.
Het ligt voor de hand dat het landgebruik op percelen die tegen vennen aan liggen een directe invloed kan hebben op de waterkwaliteit van de vennen. Zo kunnen uit landbouwpercelen bij regenbuien nutriënten direct afstromen naar het ven. Ook op afstand kan landbouw effect hebben op de biologie van vennen. Landbouwkundig gebruik gaat doorgaans gepaard met overbemesting en uitspoeling van nitraat naar het grondwater. Nitraat kan op verschillende wijzen leiden tot vermesting. Allereerst is het zelf een plantenvoedingsstof, die door veel planten goed opgenomen kan worden. Daarnaast is het ook een sterke oxidator. Hierdoor wordt ijzer weggevangen uit het grondwater. Als nitraat in het grondwater in contact komt met pyrietafzettingen, dan wordt daarbij sulfaat vrijgemaakt. Zowel nitraat als sulfaat stimuleren de afbraak van organisch materiaal en leiden zo tot interne eutrofiëring. Ook gaat landbouwkundig gebruik vaak gepaard met drainage, waardoor grondwaterstromen afgevangen worden voor ze het ven bereiken. Een positief aspect kan zijn dat landbouwgronden doorgaans ook bekalkt worden en dat grond- en oppervlaktewateraanvoer vanuit landbouwgronden verzuring van vennen kan voorkomen.
Figuur A: Nitraatuitspoeling uit landbouwgronden en bossen in het inzijggebied kan leiden tot mobilisatie van fosfaat uit de venbodem
Figuur B: Deel van de Heelsumse beek dat langs intensief gebruikte landbouwpercelen stroomt. Nitraatuitspoeling leidt tot neerslag van ijzer en ijzergebrek in planten, zoals te zien is aan de gele kleur van de Veldrus (Juncus acutiflorus) die hier in het water groeit. Foto: E. Brouwer.